Jules ligt met tyfus op de ziekenzaal in kamp Vaihingen an der Enz. Het is 7 april 1945; Franse soldaten bevrijden het kamp. Jules wordt naar het plaatselijke ziekenhuis gebracht. Hij wordt onder de douche geholpen. Het spiegeltje met de foto van Rachel, dat hij twee jaar lang bij zich droeg, raakt hij dan kwijt. Zodra hij is hersteld, begint Jules direct te schrijven. Over alles wat hem de afgelopen jaren is overkomen.

Natascha van Weezel over communicatie (01:15)

Twee maanden later kan Jules eindelijk terug naar Amsterdam. Hij gaat naar de Nieuwe Prinsengracht, naar zijn tante Annie. Ze kan bijna niet geloven dat hij het is, onderaan de trap. Jules gaat er vanuit dat hij de enige teruggekeerde van zijn familie is. In Polen is hem duidelijk geworden hoe klein de overlevingskansen zijn.

Dan hoort hij totaal onverwacht dat zijn moeder en zus nog leven. Ze zijn in Zweden, in een opvangkamp van het Rode Kruis, nadat ze in Bergen-Belsen hebben gezeten. Jules stuurt direct een telegram die na drie weken aankomt. (Zie ook: Post na de bevrijding). Hij schrijft ook een brief en krijgt een telegram terug, gevolgd door een dichtbeschreven briefkaart van zijn zus en moeder.

Jules brief Zweden

De brief van Jules aan zijn moeder en zus in Zweden.

Telegram Jules juli 1945 1

Het telegram dat hij als eerste antwoord krijgt.
De dichtbeschreven briefkaart van zijn zus en moeder.



Milly kaart uit Zweden

Milly kaart 28071945

Göteborg, 28 juli 1945
Mijn allerliefste broertje,
We waren zo ontzettend blij en gelukkig met je telegram. Oh schat, we zijn zo ontzettend blij dat je leeft. Moeder was half gek toen ze je telegram las. Pa was tot december ’44 bij ons. Wij drie waren van 29.9.43 tot 20.5.44 in Bergen Belsen waar we het tamelijk goed hadden omdat we niet moesten werken. Toen is pa plotseling weggestuurd, waarheen weten we niet. We hebben nog een hoop, dat hij in Odessa is. (…)
We hebben drie weken gezworven in veewagens, het was ontzettend en er zijn heel veel vrouwen onderweg gestorven. Moeder was zo flink, we hadden grote steun aan elkaar. De eerste Mei, die schone klare dag, zijn we door het Roode Kruis overgenomen en de derde Mei kwamen we in Zweden aan, van de hel in de hemel, totaal uitgehongerd en verluisd. Moeder woog nog maar 81 en ik 98 pond. Maar we zijn nu weer als vanouds. Moeder 115 en ik 129 pond.
Jules leest een fragment uit de briefkaart van Milly (01:14). Het duurt na de bevrijding nog maanden voordat men weer gewoon brieven mag versturen. (Zie ‘Post-na-de-bevrijding)

Moeder en zuster Milly komen per vliegtuig naar Nederland en ze gaan met zijn drieën op één kamer wonen. In hun oude huis wonen andere mensen. Jules gaat weer werken bij de drukkerij.

Vader keert niet terug, hij is in Sachsenhausen gestorven. Rachel en haar ouders zijn in Sobibor vermoord.

Jules’ vriend Leo de Vries sterft van uitputting op een dodenmars van kamp Kochendorf naar Dachau.